De structuur van je scriptie is cruciaal voor de inhoud van je betoog. Omdat een antwoord op je vraag niet volstaat, maar pas af is als je dat antwoord ook goed hebt onderbouwd vanuit de literatuur. Daarvoor zal je verschillende artikelen, perspectieven en visies naast elkaar moeten leggen en met elkaar moeten vergelijken. Dat betekent dat je niet alleen de dominante opvattingen in jouw onderzoeksgebied gaat weergeven (zoals je opgezet hebt in je probleemstelling), maar dat je die stand van zaken verder gaat uitdiepen en overwegen. Aan verdieping kleeft echter wel het risico dat je zelf verdwaalt in de literatuur, of je je argument gaat laten leiden door wat anderen gezegd hebben. Om te zorgen dat jij jouw argument helder op papier krijgt, is het dus raadzaam om voor je begint te schrijven al te bedenken hoe je dat precies gaat doen.

Stap 1: Van-A-naar-B bedenken

Je scriptie op voorhand structureren doe je het best door eerst een inhoudsopgave te maken. Deel je scriptie in in een 1) inleiding, 2) een x aantal inhoudelijke hoofdstukken, en 3) conclusie. Daarbij weet je al welke onderzoeksvraag je gaat stellen in de inleiding vanuit welk theoretisch kader. Je bedenkt vervolgens, op basis van alles wat je gelezen hebt, hoe je antwoord in de conclusie er ongeveer uit zal gaan zien. A en B zijn dus duidelijk. Hoe je vervolgens van A naar B kunt komen is de volgende stap.

Hoeveel en welke hoofdstukken er nodig zijn om van A naar B te komen, bepaal je aan de hand van je deelvragen. Je kunt per deelvraag een hoofdstuk schrijven, maar je kunt ook verschillende deelvragen in een hoofdstuk bespreken (bijvoorbeeld in verschillende paragrafen). Je groepeert je deelvragen dan thematisch. Belangrijk is dat je argumentatie steeds logisch volgt uit het voorgaande.

Stap 2: Inhoudsopgave schrijven

Geef je hoofdstukken en/of paragrafen (werk)titels die precies zeggen wat er in dat hoofdstuk gaat gebeuren. Zet vervolgens je titels onder elkaar in een inhoudsopgave. Kijk nu eens door je titels heen. De bedoeling is dat je aan de volgorde van de titels precies kunt zien hoe jij je argument gaat opbouwen.
Als jij bijvoorbeeld de vraag uitwerkt hoe de president van Amerika het beleid van de VN beïnvloedt, dan zou je (werk)inhoudsopgave er zo uit kunnen zien:

  • H1. Inleiding
  • H2. Beleid van de Verenigde Naties
  • H3. Rol van Amerika in de beleidsvorming van de VN
  • H4. Huidig beleid van Barack Obama
  • H5. Hoe Obama’s beleid het beleid van de VN beïnvloedt
  • H6. Conclusie

In dit voorbeeld zie je ten eerste dat de titels van de hoofdstukken heel dicht liggen bij de deelvragen die nodig zijn om deze hoofdvraag te beantwoorden. Als je nu de titels van boven naar beneden leest, zie je eigenlijk al precies hoe je argument zal gaan verlopen. Daarin kun je structuur van de hoofdvraag herkennen: we beschrijven de twee constructen (A = ‘beleid van de VN’ en B = ‘de president van Amerika’) en het verband dat daartussen wordt verondersteld (‘invloed van B op A’).

Door je inhoudsopgave dus op voorhand op te stellen, kun je direct checken of alle elementen die nodig zijn om de vraag te gaan beantwoorden, in je scriptie aanwezig zijn. Op basis van deze structuur kun je vervolgens de inhoud gaan vormgeven.

Stap 3: Bepaal welke inhoud in de structuur komt

Nu je de structuur van je scriptie in de inhoudsopgave hebt neergelegd, kun je bepalen wat je precies binnen die structuur gaat vertellen.

  1. Schrijf op een vel papier je inhoudsopgave, en schrijf dan in steekwoorden achter elke titel wat je in dat hoofdstuk wil vertellen. Doe dat eerst in normaal Nederlands; bedenk dus voor jezelf welke informatie in dit hoofdstuk naar voren moet komen.
  2. Op basis van deze uitleg kun je hoofdstukken in paragrafen uitwerken. Kijk bijvoorbeeld naar hoofdstuk 2 uit het voorbeeld over de VN. Dat hoofdstuk zou kunnen bestaan uit
    • §1. Wie is de VN (missie & doelstelling)
    • §2. Welke beleid voert de VN
    • §3. Hoe is het beleid van de VN nu veranderd ten opzichte van vroeger

    In dit voorbeeld zie je dat niet alleen de VN zelf wordt belicht, maar er wordt ook al een beschrijving gegeven van veranderingen in beleid. Dit is handig op deze plek in je scriptie, omdat je zo kunt laten zien dat beleid van de VN veranderlijk is, iets wat je straks wil aangrijpen als je de invloed van Barack Obama op dat beleid wil beschrijven.

  3. Bepaal vervolgens welke literatuur je in je paragrafen gaat gebruiken. Bedenk daarbij steeds wat voor soort artikelen het zijn: een overzichtsartikel kun je goed gebruiken in een algemene beschrijving, een artikel van een tegenstander of over een nieuw perspectief kun je beter later inzetten.

BELANGRIJK is daarbij dat je niet alleen artikelen hoeft te gebruiken die jouw specifieke verband beschrijven! Je kunt in het voorbeeld hierboven prima gebruik maken van informatie van de VN zelf, terwijl je daarin waarschijnlijk weinig zal aantreffen over de invloed van Amerikaanse presidenten. Wees dus vrij om zelf literatuur zo te combineren dat jij antwoord kan geven op jouw vraag (en verwacht dus ook niet dat je dat antwoord elders in de literatuur zal tegen komen!)

TIP

Als jij een boek zoekt om informatie te krijgen over jouw onderwerp, kijk je in de inhoudsopgave. Bieden de titels niet wat je zoekt? Dan zet je het boek vaak meteen weer weg. Zorg zelf dus ook voor inhoudelijke titels, zodat aan de index direct te zien is wat jij in je literatuurstudie gaat bespreken.

Vastgelopen in de structuur van je scriptie? Leg je scriptie dan even opzij en loop nog eens door de stappen van de denkfase heen. Teken de structuur schematisch op aan de hand van je onderzoeksvraag, en ontwerp de inhoudsopgave. Probeer je niet te laten leiden door wat je al op papier hebt staan! Als je de structuur van je verhaal opnieuw ontwerpt, kun je negen van de tien keer de informatie uit je draft hergebruiken voor het nieuwe stuk. Zorg er daarbij steeds voor dat je stukjes met informatie op een logische plek in het verhaal staan (zie ook schrijven).