Logica

In een literatuurstudie draait alles om het logisch presenteren van literatuur. Je beantwoordt je hoofdvraag door bronnen zo te combineren dat jouw antwoord daar logisch uit volgt. Belangrijk, want om een onderbouwd (wetenschappelijk) betoog te schrijven, moet je al jouw uitspraken en conclusies baseren op goede bronnen, zodat je je antwoorden daadwerkelijk kunt verantwoorden.

Daarvoor moet je 1) de bronnen op een goede manier beschrijven en interpreteren, en 2) je bronnen op een logische manier combineren. Belangrijk is dus dat jij jouw lezer op een goede manier informeert en vervolgens op een adequate manier overtuigt (en let op: overtuiging is natuurlijk geen kwestie van hard schreeuwen en kort door de bocht, maar van netjes ordenen en onderbouwen zodat je conclusie gerechtvaardigd is).

Om logica in je scriptie te brengen, kun je je laten leiden door het WWW: wie, wat, waarom. Wie (welke auteurs, bijvoorbeeld de bedenkers van een bepaalde theorie, of juist critici daarvan) komen met welke theorie (wat is het idee precies)? Maar belangrijker nog: waarom is dat op deze plek in jouw scriptie van belang? De waarom-vraag stelt jou in staat elke bron aan je hoofdvraag te verbinden. Waarom beschrijf jij bijvoorbeeld een bepaald beleidsstuk? Omdát uit de cijfers blijkt dat dat beleid niet succesvol is en jij dus op zoek moet gaan naar verklaring. Waarom beschrijf jij vervolgens een artikel van auteur X? Omdát jij het succes of falen van het beleidsstuk wil koppelen aan bestaande kennis over de valkuilen in het doorvoeren van nieuw beleid. De WWW-vragen zijn dus de leidraad die jij moet aanhouden om je literatuur binnen het kader van je hoofdvraag te presenteren.

Opbouw is in het presenteren van je inhoud cruciaal. Ook hierbij verplaats je jezelf steeds in de lezer: kan ik dit complexe theoretische verhaal hier al vertellen, of heeft mijn lezer eerst nog een opstapje nodig om me te kunnen volgen? Praktisch betekent dit dat je eerst de situatie moet schetsen, voordat je daarin een probleem kan vaststellen of kritische vraag kan opwerpen. Dit noem je het trechtermodel: je werkt van breed naar smal oftewel van algemeen naar specifiek. Vanuit een breed theoretisch kader werk je dus toe naar een antwoord op een specifieke vraag. Vervolgens trek je dat specifieke antwoord in je conclusie weer terug naar het algemene onderzoeksgebied (zie ook probleemstelling). Dan werk je van smal weer terug naar breed, dus van je specifieke antwoord terug naar het onderzoeksgebied. Dit noem je het zandlopermodel.

In een literatuurstudie presenteer je je literatuur dus zo dat je er een logisch verhaal van kunt maken. Vaak begin je met het beschrijven van een basisartikel. Dat is bijvoorbeeld een artikel dat dominant is in jouw onderzoeksgebied, een overzichtsartikel dat veelvoorkomende visies opsomt, een beleidsstuk dat je in je scriptie wil analyseren, of een artikel dat juist een probleem in een dominante of routine-opvatting aan de kaak stelt (zie ook probleemstelling). Zo’n basisartikel vormt het fundament of startpunt van je onderzoek, en moet je dus eerst goed beschrijven. Ook kun je zulke basis- of overzichtsartikelen gebruiken om de constructen uit je hoofdvraag in algemene termen te beschrijven – wat je doet aan het begin van je scriptie, voordat je het veronderstelde verband verder kunt uitwerken. Vervolgens laat je een aantal bronnen voorbij komen die dat basisartikel uitwerken, nuanceren, verbinden, aanvallen of tegenspreken. De volgorde van deze artikelen in jouw stuk moet logisch zijn en het hele verhaal vertellen. Artikelen kunnen dus verschillende functies hebben in je verhaal, maar samen moeten ze voldoende informatie weergeven om jouw conclusie helemaal toe te lichten. BELANGRIJK in je literatuurstudie is dus dat je je literatuur niet alleen 1) goed beschrijft maar ook 2) op een logische manier verbindt in verschillende alinea’s, paragrafen en hoofdstukken.

Literatuur beschrijven en verwerken

De functie van artikelen kan verschillen in je stuk, maar de manier van beschrijven is in principe steeds hetzelfde. Een artikel beschrijf je in twee stappen:

Rapportage

wat wordt in het artikel precies onderzocht?

In de beschrijving van een onderzoek geef je het proces en de resultaten van een onderzoeksartikel zo zuiver en neutraal mogelijk weer (zie onder). Je rapporteert dus een onderzoek van auteurs door uit te leggen wat zij precies hebben onderzocht.

BELANGRIJK daarin is dat je weliswaar neutraal rapporteert (dus zonder al je mening, kritiek etc. te geven), maar wel alleen die resultaten rapporteert die interessant en relevant zijn voor jouw onderzoeksvraag. Je hoeft dus niet een heel onderzoek uit te kauwen als maar een klein deel nuttig is voor jouw eigen verhaal. In het rapporteren van een onderzoek ben je dus neutraal maar wel gericht. Op deze manier vormt je hoofdvraag de leidraad voor je inhoud, waarbij je jezelf steeds de vraag stelt ‘waarom is nu net dit resultaat van deze auteurs relevant voor mijn vraag?’

In je beschrijving van een artikel noem je:

  1. De auteurs: wie zijn zij? Belangrijke figuren in jouw vakgebied? Grondleggers van een doorgaande visie? Pleitbezorgers van een nieuwe methode?
  2. Hun hoofdvraag: wat onderzochten zij precies, en waarom?
  3. [Indien relevant voor jouw eigen hoofdvraag] Hun methode: hoe hebben ze dat onderzocht?
  4. Hun resultaten: wat kwam er uit hun onderzoek? Of hoe formuleerden en onderbouwden zij hun theorie?
  5. [Indien relevant voor jouw eigen hoofdvraag] Hun conclusies: hoe hebben zij hun resultaten geïnterpreteerd?

TIPS:

  • Bedenk je bij het rapporteren van literatuur steeds of jij dat doet om te onderbouwen óf te bekritiseren. Als jij een stelling wil weergeven in je scriptie of een theorie wil beschrijven, is het vooral belangrijk om de resultaten te presenteren van een onderzoek naar die stelling. Wil je een methode, visie of theorie bekritiseren? Dan is het cruciaal om de conclusies en interpretaties van de auteurs zuiver weer te geven, zodat je deze in de volgende stap kunt aanvechten.
  • Niet elk artikel krijgt evenveel aandacht in jouw scriptie. Vraag je telkens af hoe belangrijk een artikel is voor jouw hoofdvraag (is het bijvoorbeeld de essentie van je argument, of levert het alleen achtergrondinformatie?), en bepaal vervolgens of dat artikel een hele alinea verdient, meerdere alinea’s of alleen als verwijzing hoeft voor te komen achter een bepaalde algemene uitspraak of definitie (neem de definitie van depressie, daar is niet één onderzoek naar, maar dat zijn er talloze. Je kunt dan depressie als algemeen principe beschrijven, en onderbouwen met een (aantal) verwijzing(en) naar handboeken of onderzoeksartikelen die je verder niet inhoudelijk beschrijft. Zie ook referenties).

Inkadering

waarom gebruik jij dit artikel?

Een artikel rapporteer je altijd met een reden, namelijk omdat een artikel de informatie bevat die jij nodig hebt om jouw vraag te kunnen beantwoorden. Literatuur beschrijf je dus niet slechts door het artikel zelf te rapporteren, maar ook door die informatie aan jouw hoofdvraag te koppelen. Je rapportage zojuist was neutraal maar wel gericht. De richting die je hebt gebruikt om de relevante informatie uit een artikel te selecteren, maak je vervolgens expliciet, waardoor je kunt verantwoorden waarom je dit artikel hier nu beschrijft.

Je maakt je beschrijving van een artikel dus compleet door:

  1. De functie van dit artikel te benoemen voor het (toewerken naar het) antwoord op je hoofd- of deelvraag.

Deze inkadering is cruciaal in je stuk omdat je daarmee bruggetjes creëert om verschillende bronnen aan elkaar te verbinden.

Alinea’s schrijven

Om verschillende bronnen aan elkaar te kunnen verbinden, maak je gebruik van bruggetjes tussen alinea’s. Een goede alinea bevat in zijn structuur automatisch zulke bruggetjes. Net als je hele tekst bestaat een alinea uit een kop-romp-staart-structuur. Dat wil zeggen dat je alinea bestaat uit:

  1. Een inleidende zin (kop)
    wat ga jij in deze alinea beschrijven?Voorbeeld: ‘De theorie die net is besproken, heeft voor- en nadelen’

Dit is een goede inleidende zin, omdat nu volkomen logisch is dat jij in deze alinea (of in de komende twee alinea’s) de voor- en nadelen van die theorie gaat bespreken.

  • Argumentatie (romp)
    In de romp van je alinea werk je uit wat je in je inleidende zin aankondigde. Dat kan een beschrijving zijn (bijvoorbeeld van onderzoeksliteratuur, zie boven), een uitwerking van voor- en nadelen, een kritiekpunt, een nieuwe interpretatie, et cetera.
  • Concluderende zin (staart)
    wat leert deze alinea de lezer nu?In de concluderende zin trek je het argument dat je net hebt besproken weer breder, door een conclusie, interpretatie of inkadering te geven:

 

‘Deze theorie leert ons dus dat …’
‘Met dit beleidsstuk is dus gepoogd om …’
‘Deze theorie staat dus centraal in het onderzoeksgebied omdat …’

Daarmee heeft de concluderende zin de functie van afsluiting van je alinea, maar vormt het ook de opstap naar een volgende alinea, waarin je je concluderende zin bijvoorbeeld verder uitwerkt, bekritiseerd, of afzet tegen een andere theorie:

‘Nieuw onderzoek laat echter zien dat …’
‘In tegenstelling tot dit onderzoeksresultaat, blijkt in de praktijk dat …’
‘Theorie X daarentegen, stelt dat…’

De inleidende en de concluderende zinnen van alinea’s zijn dus noodzakelijk om bruggetjes te kunnen slaan tussen verschillende brokjes informatie. Deze bruggetjes zijn cruciaal om je antwoord op je hoofdvraag logisch op te bouwen. Dat wil zeggen: brokjes informatie (bijvoorbeeld beschrijving van verschillende bronnen) spreken niet voor zich, maar moet jij actief verbinden om een logisch antwoord op je vraag je kunnen geven.

TIPS:

  • In principe betreft een alinea maximaal één thema. Een volgend thema (bijvoorbeeld kritiek op een idee, of de praktische toepassing van een theorie) krijgt een eigen alinea. Dit nieuwe thema introduceer je ook als zodanig (bijvoorbeeld ‘in de praktijk werkt de theorie …’) in de inleidende zin van je volgende alinea
  • Maak je alinea’s niet te lang: wil je een hele theorie beschrijven, maar beslaat dat bijvoorbeeld een heel a4? Kies dan ergens in je beschrijving een logisch afbreekpunt, oftewel een punt waarop je het volgende een eigen alinea kunt geven (bijvoorbeeld de praktische toepassing van de theorie, specifieke kenmerken of details, etc.). Houdt als vuistregel aan dat (met regelafstand 1,5, lettergrootte 12) er drie alinea’s op een pagina staan.
  • Maak je alinea’s ook niet te kort! Zorg dat je minstens één zin elke onderdeel (dus kop-romp-staart) weidt.

Hoofdstukken en paragrafen schrijven

Hoofdstukken bestaan uit een groot aantal alinea’s, die je eventueel hebt gegroepeerd in verschillende paragrafen. De structuur van je hoofdstukken heb je al uitgezet in je denkfase (zie scriptie structureren). Ieder hoofdstuk in je scriptie is bedoeld om een (of een cluster van) deelvraag te beantwoorden. Zo beslaan je hoofdstukken dus alle elementen die nodig zijn om in je conclusie een antwoord op je hoofdvraag te kunnen formuleren. Je hoofdstukken geef je in een logische volgorde, die je met de WWW-vragen kunt checken: heb ik in hoofdstuk 1 al voldoende verteld zodat de lezer hoofdstuk 2 goed kan volgen? Zo niet, dan moet ik misschien nog een hoofdstuk tussenvoegen, of hoofdstuk 1 aanvullen met een paragraaf die de brug naar hoofdstuk 2 kan slaan. Zo vormen de hoofdstukken samen een trechtermodel.

Binnen je hoofdstuk werk je ook met een trechtermodel: je werkt steeds van algemeen naar specifiek, door van een basisartikel naar meer specifieke artikelen toe te schrijven, zodat je een antwoord op je deelvra(a)g(en) kunt formuleren. Een hoofdstuk bestaat altijd uit een

kop-romp-staart structuur (zie boven). Een hoofdstuk begint dus met een inleidende alinea waarin je aangeeft wat je precies in dat hoofdstuk gaat doen. Dat doe je door de deelvraag of combinatie van deelvragen weer te geven die je in dat hoofdstuk gaat bespreken. Vervolgens werk je je argument uit door verschillende bronnen binnen het kader van je hoofdvraag te presenteren (denk je inleidende en concluderende zinnen in alinea’s!). Op basis van dit argument kun je in de (deel)conclusie van je hoofdstuk een antwoord geven op je deelvraag. In de deelconclusie geef je in één alinea een samenvatting van je deelvraag, je belangrijkste resultaten en je antwoord op de deelvraag.

De structuur van een hoofdstuk bevat dus de volgende elementen:

  • Titel: Hoofdstuk 1: ….
  • Introductie: presentatie van je deelvra(a)g(en) en methode van onderzoek
    (je geeft bijvoorbeeld aan dat je eerst je basisartikel zal beschrijven en vervolgens de kritieken zal bespreken)
  • Argument: review van artikelen in verschillende (aan elkaar en de introductie verbonden!) alinea’s
  • Deelconclusie: herhaling van je deelvraag, samenvatting van je belangrijkste resultaten en antwoord op je deelvraag

Een hoofdstuk kun je eventueel opdelen in paragrafen om verschillende elementen van je deelvra(a)g(en) goed te kunnen beschrijven. Daarbij heeft een paragraaf altijd een functie binnen een hoofdstuk, hij staat nooit op zichzelf. Dat betekent dat je je paragraaf altijd expliciet moet verbinden aan de rest van het hoofdstuk. Dat doe je door in de introductie van je paragraaf aan te geven welk element van de deelvraag (of van het cluster van deelvragen) je in deze paragraaf gaat bespreken. In de romp van de paragraaf werk je dat antwoord uit. Ook een paragraaf sluit je vervolgens af met een concluderende alinea. Deze bevat niet alleen een samenvatting van je paragraaf, maar ook een terugkoppeling naar de deelvraag uit het hoofdstuk én een opmerking over wat je in de volgende paragraaf gaat doen.

Stel bijvoorbeeld dat je in je eerste paragraaf het eerste construct uit je hoofdvraag hebt uitgelegd. Dan kun je de paragraaf afsluiten met de zin ‘Dit construct gaat vaak een relatie aan met construct B. Dit construct zal in de volgende paragraaf worden uitgelegd’. De volgende paragraaf volgt weer een kop-romp-staart structuur. Je sluit het hoofdstuk na de paragrafen af met de deelconclusie van het hele hoofdstuk, waarin je het antwoord op de hele deelvraag formuleert. Dat doe je door de conclusies die je na je paragrafen hebt getrokken, samen te vatten en te verbinden, zodat ze samen een antwoord op je deelvraag kunnen vormen.

De structuur van een hoofdstuk met meerdere paragrafen bevat de volgende elementen:

  • Titel: Hoofdstuk 1: ….
  • Introductie: presentatie van je deelvra(a)g(en) en methode van onderzoek (je geeft bijvoorbeeld aan dat je eerst je basisartikel zal beschrijven en vervolgens de kritieken zal bespreken)
    • Paragraaf 1 – introductie
    • Paragraaf 1 – argument
    • Paragraaf 1 – conclusie & bruggetje
    • Paragraaf 2 – introductie
    • Paragraaf 2 – argument
    • Paragraaf 2 – conclusie                   
    • Deelconclusie: herhaling van je deelvraag, samenvatting van de conclusies van je paragrafen en je antwoord op de deelvraag

TIPS:

  • Niet elke deelvraag hoeft zijn eigen paragraaf te krijgen. Soms volstaat het om al in je introductie een algemeen geaccepteerde opvatting gewoon te noemen of beschrijven (vergeet de bron dan niet te melden, zie referenties).
  • Kom je er, als je de conclusies van je paragrafen samenvat en verbind in je deelconclusie, achter dat je het antwoord op je deelvraag niet goed kunt formuleren op basis van je paragraafconclusies? Pas dan ófwel je paragraafconclusies aan zodat ze het argument beter weergeven, óf check of je paragrafen wel de juiste informatie bevatten (eventueel met behulp van je inhoudsopgave uit de denkfase).
  • Gebruik je een casus of specifiek voorbeeld om een theoretisch verhaal toe te lichten? Dan kun je er voor kiezen de casus telkens als subparagraaf te presenteren, na het theoretische hoofdstuk (bijvoorbeeld als paragraaf 2.1 onder paragraaf 2). Zo geef je de lezer inzicht in waar hij is in je stuk, en geef je ook direct aan dat je na deze casus weer zal terugkeren naar de hoofdlijn.
  • Definieer altijd de termen die je gebruikt. Ook als je voor specialistisch publiek schrijft, is belangrijk dat jouw lezer precies weet wat jij met een bepaalde (vak)term bedoelt (en waar je die definitie vandaan hebt).

Schrijfstijl

Schrijfstijl is persoonlijk, en dus zullen geen twee scripties hetzelfde zijn. Wel zijn een paar algemeen geldende tips hier op zijn plaats:

  • Schrijf niet teveel in spreektaal. Meet jezelf een formele stijl aan. Zorg wel dat je alleen woorden en zinsbouw gebruikt die je ook echt beheerst, om te voorkomen dat je taalgebruik gekunsteld overkomt
  • Maak wel voldoende gebruik van eigen woorden in Normaal Nederlands. Als je een artikel beschrijft, doe dat dan in een stijl die past bij de manier waarop je ook de overige delen van je scriptie hebt geschreven (bijvoorbeeld de inleiding). Als je teveel gaat leunen op het taalgebruik van andere auteurs, loop je het risico dat je beschrijving als plagiaat over komt
  • Leg je stuk voor je het inlevert minimaal één dag opzij, en lees het daarna zelf nog een keer (echt!) na. Vaak zie je zelf al een hoop spelfouten, rare zinnen of haastvergissingen. Dat overkomt iedereen tijdens het schrijven, maar staat slordig als je dat er zelf niet uithaalt!
  • Hopelijk niet nodig om te zeggen: doe een spellingscontrole voor je je stuk inlevert!