De onderzoeksvraag is de essentie van elk onderzoek. Een goede vraag is cruciaal, zowel voor de inhoud als voor de structuur van je scriptie. De hoofdvraag helpt je enerzijds om je onderzoek goed uit te voeren en anderzijds om het op een overzichtelijke manier te rapporteren.

Een onderzoeksvraag bestaat uit twee of meer constructen waartussen een verband wordt verondersteld. Dit verband is bepalend voor het soort analyse (kwalitatief of kwantitatief) dat jij gaat uitvoeren of in de literatuur gaat opzoeken. De structuur van je onderzoeksvraag is dus bepalend voor je onderzoeksmethode.

Daarnaast is de structuur van je vraag bepalend voor de structuur van je scriptie. De volgorde waarin je je constructen uitlegt en vervolgens het verband uitwerkt, hangt volledig af van hoe je je vraag formuleert. Je deelvragen vormen het stappenplan voor de uitwerking van de inhoud.

De hoofd- en deelvragen zijn dus vooral belangrijk als leidraad voor je scriptie. In je inleiding zal je deze formuleren als hypothese(n). Omdat hypothesen vaak meer ‘open’ en meer wetenschappelijk geformuleerd zijn (van het type ‘zouden kunnen hebben’), is het aan te raden tijdens het schrijven van je scriptie steeds je hoofd- en deelvragen als handvatten aan te houden (of je deze in het eindproduct nu wel of niet letterlijk opneemt), om jezelf op het goede spoor te houden en veelgehoorde valkuilen te voorkomen.

De eerste en belangrijkste stap in je scriptieproces is dus het formuleren van (en vooral: het op voorhand goed doordenken van) je onderzoeksvraag. Of je nu literatuur-, kwalitatief of kwantitatief onderzoek doet, zorg dat je onderzoeksvraag helder, gefocust en goed gestructureerd is!

Hoofdvraag

Bepaal de structuur van je hoofdvraag

Een onderzoeksvraag bestaat meestal uit twee of meer constructen met één of ander verband daartussen:
A--->B
Bij de vraag hoe beïnvloedt roken de gezondheid? is ‘roken’ construct A en ‘de gezondheid’ construct B. De pijl wordt geformuleerd als ‘invloed hebben op’.

In dit voorbeeld is B de afhankelijke variabele (want afhankelijk van de invloed van A) en A de onafhankelijke variabele (want deze variabele kun je variëren, bijvoorbeeld door wel of niet te roken). Het verband dat wordt uitgevraagd is causaal, wat wil zeggen dat de onafhankelijke variabele de oorzaak is voor de afhankelijke variabele.

Constructen kunnen van alles zijn: ziektesymptomen, psychologische factoren, bedrijven, productieprocessen, televisieprogramma’s, maatschappelijke situaties, enzovoorts.

Verbanden bepalen de verhouding tussen twee constructen. Bij verbanden kun je denken aan natuurlijke invloeden (zoals de invloed van de zon op de omgevingstemperatuur) maar ook op interventies en strategieën (zoals een beleidsplan dat wordt ingezet, of een therapie die wordt aangeboden). Verbanden kunnen causaal (oorzakelijk) of correlationeel zijn. Voorbeelden van causale vragen zijn hierboven gegeven.
Verbanden kunnen schematisch worden weergegeven als een pijl. Causale verbanden kunnen worden geformuleerd als
• ‘A heeft invloed op B’
• ‘A heeft effect op B’
• ‘A is de oorzaak voor B’
• ‘A biedt verklaring voor B’
• ‘A voorspelt B’
• ‘A en B beïnvloeden elkaar’ (in dit geval zou er sprak zijn van een dubbele pijl )

In hoeverre helpt paracetamol tegen hoofdpijn?

In dit voorbeeld wordt een verband verondersteld dat precies past bij bovenstaand schema: construct A (paracetamol, de interventie) beïnvloedt construct B (gezondheid). In deze vraag wordt de veronderstelling onderzocht dat de onafhankelijke variabele A de afhankelijke variabele B causaal beïnvloedt.

Correlationele verbanden vragen naar samenhang tussen variabelen.
A----B
Bij de vraag hoe beïnvloedt roken de gezondheid? is ‘roken’ construct A en ‘de gezondheid’ construct B. De pijl wordt geformuleerd als ‘invloed hebben op’.

In dit voorbeeld is B de afhankelijke variabele (want afhankelijk van de invloed van A) en A de onafhankelijke variabele (want deze variabele kun je variëren, bijvoorbeeld door wel of niet te roken). Het verband dat wordt uitgevraagd is causaal, wat wil zeggen dat de onafhankelijke variabele de oorzaak is voor de afhankelijke variabele.

Constructen kunnen van alles zijn: ziektesymptomen, psychologische factoren, bedrijven, productieprocessen, televisieprogramma’s, maatschappelijke situaties, enzovoorts.

Verbanden bepalen de verhouding tussen twee constructen. Bij verbanden kun je denken aan natuurlijke invloeden (zoals de invloed van de zon op de omgevingstemperatuur) maar ook op interventies en strategieën (zoals een beleidsplan dat wordt ingezet, of een therapie die wordt aangeboden). Verbanden kunnen causaal (oorzakelijk) of correlationeel zijn. Voorbeelden van causale vragen zijn hierboven gegeven.

Verbanden kunnen schematisch worden weergegeven als een pijl. Causale verbanden kunnen worden geformuleerd als

  • ‘A heeft invloed op B’
  • ‘A heeft effect op B’
  • ‘A is de oorzaak voor B’
  • ‘A biedt verklaring voor B’
  • ‘A voorspelt B’
  • ‘A en B beïnvloeden elkaar’ (in dit geval zou er sprak zijn van een dubbele pijl ßà)

In hoeverre helpt paracetamol tegen hoofdpijn?

In dit voorbeeld wordt een verband verondersteld dat precies past bij bovenstaand schema: construct A (paracetamol, de interventie) beïnvloedt construct B (gezondheid). In deze vraag wordt de veronderstelling onderzocht dat de onafhankelijke variabele A de afhankelijke variabele B causaal beïnvloedt.

Correlationele verbanden vragen naar samenhang tussen variabelen.

A---B

Bij de vraag is er een verband tussen woonplaats en lichaamslengte?, wordt gevraagd naar een samenhang tussen de variabelen A (woonplaats) en B (lichaamslengte). Ze zijn niet oorzakelijk voor elkaar, maar mogelijk bestaat er wel een verband. In dit geval kun je dus ook niet spreken van de onafhankelijke en afhankelijke variabele.

LET OP: als je een verklaring beschrijft van het ene construct door het andere, vraag je dus naar een causaal verband. Dat heeft belangrijke gevolgen voor de methode van je onderzoek (zie onderzoek). Als je in je literatuurstudie een causaal verband onderzoekt, zul je in de literatuur dus ook op zoek moeten gaan naar studies die causale verbanden onderzoeken.

Andersom: als je een correlationeel verband onderzoekt, kun je dus geen uitspraken doen over oorzakelijkheid of verklaringen (tenzij je goed verwijst naar literatuur), zie valkuilen.

Zorg dus dat je voor je begint te schrijven goed weet of je op zoek bent naar een causaal of een correlationeel verband. Stel namelijk dat jij een causaal verband veronderstelt, maar dat alleen onderbouwt vanuit een bepaalde samenhang, dan voer je dus eigenlijk geen bewijs aan en blijft je argumentatie vaag en suggestief.

Vastgelopen? Leg je scriptie even weg. Probeer nu eens hardop uit te leggen wát je onderzoekt, alsof je het aan je oma uit moet leggen. Doe dat in normaal Nederlands en op en op een eenvoudige manier die ook voor leken te volgen is. Grote kans dat jij als eerste je twee belangrijkste constructen noemt, en aangeeft wat voor soort verband je veronderstelt. Schrijf deze constructen op een wit papier, en gebruik die voor de operationalisatie zoals hieronder uitgelegd.”

Operationalisatie en casus

Om constructen te onderzoeken maak je vaak gebruik van een operationalisatie, oftewel de concrete vorm waarin je constructen kunt vangen. Voorbeelden zijn tests of vragenlijsten, beleidsnota’s als operationalisatie van bedrijfsstrategie, of deelnemers aan een onderzoekspoule of tv-programma. Deze operationalisatie is nodig om je construct te kunnen onderzoeken. BELANGRIJK is dat je de operationalisatie nooit verwart met het construct zelf:

stel dat je de invloed onderzoekt van verkoudheid (A) op werkprestaties (B), en je operationaliseert verkoudheid door het aantal keren niezen op een dag

A---B

Wat je onderzoekt is Pijl 1, namelijk het verband tussen je construct verkoudheid en je construct werkprestatie. Wat je niet onderzoekt is het verband tussen het aantal keer niezen (Pijl 2) en werkprestatie (dat kan natuurlijk wel, maar het is je vraag niet).

Dit is vooral cruciaal als je werkt met casussen – bijvoorbeeld personen (een CEO die bepaald bedrijfsbeleid uitvoert) of specifieke gevallen (een patiënt die bepaalde klachten vertoont, of een memo waarin een nieuwe techniek beschreven staat). De casus is een voorbeeld, en moet je dus niet beschrijven als de onafhankelijke variabele zelf (zie valkuilen).

TIPS

  • Formuleer je hoofdvraag in normaal Nederlands. Je kunt het altijd later in het proces nog fancyer formuleren
  • Werk de structuur van je hoofdvraag voordat je gaat schrijven goed uit, zodat je hem tijdens het proces niet vergeet
  • Teken een schema zoals hierboven weergegeven en hang het naast je computer

Vastgelopen? Neem dan eens je onderzoek in gedachten en schrijf op een leeg blad alle constructen of variabelen die je wil gebruiken. Probeer vervolgens een schema te tekenen zoals hierboven: wat is precies je onafhankelijke variabele en wat je afhankelijke? En wat voor hoofdverband zoek je daartussen? Hoe heb je je constructen geoperationaliseerd?

Deelvragen

Bepaal waar de focus in je vraag ligt

Vanuit je hoofdvraag bepaal je de structuur van je onderzoek (en dus ook van je rapportage). Dit doe je door de focus te bepalen van je onderzoeksvraag: welk element uit je vraag is het zwaartepunt? Ga je vooral de constructen zelf onderzoeken, of beschouw je die als gegeven en ga je vooral inzoomen op het verband?

Stel bijvoorbeeld dat je het verband tussen een depressietherapie en depressiesymptomen wil onderzoeken:

  • Je kunt inzoomen op de vraag of/hoe de therapie depressiesymptomen beïnvloedt (bijvoorbeeld door een experimentele conditie met een controleconditie te vergelijken). Zo focus je vooral op het verband tussen de variabelen.
  • Maar je kunt ook kijken waar een gegeven depressietherapie precies op inwerkt (bijvoorbeeld door te kijken of de therapie zowel de symptomen moedeloosheid als gebrek aan energie verbetert). Dan onderzoek je vooral de afhankelijke variabele.

Deze focus werk je uit aan de hand van je deelvragen. Je deelvragen zijn bedoeld om alle elementen uit je hoofdvraag te dekken.

Formuleer deelvragen

Neem de onderzoeksvraag wat ging er mis in de acquisitie van bedrijf A door bedrijf B?

De hoofdvraag bij deze onderzoeksvraag is dus – hergeformuleerd: hoe beïnvloedde de acquisitie door A de prestatie van B?

Daaruit volgt dat er een causaal verband wordt gevraagd tussen construct A (de acquisitie) en construct B (de bedrijfsprestaties van B). In de vraagstelling zie je dat het falen van de acquisitie als gegeven wordt genomen, en dat daarvoor een verklaring wordt gezocht. De focus ligt dus op het verband tussen de constructen.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet je nu een aantal zaken weten, namelijk:

  1. Wie of wat is bedrijf A?
  2. Wie of wat is bedrijf B?
  3. Waarom werd bedrijf B door bedrijf A overgenomen?
  4. Welke strategie werd gekozen voor de acquisitie door A/B/beiden?
  5. Hoe is het falen van de acquisitie vastgesteld?
  6. Welke factoren droegen bij aan het falen van de acquisitie?

Je ziet dat het beantwoorden van de hoofdvraag pas echt gebeurt in deelvraag 6. Die wordt echter vooraf gegaan door een scala aan deelvragen. Deze dienen om de situatie te schetsen van de spelers in jouw onderzoek, zodat je in deelvraag 6 eenvoudig het verband tussen de constructen kunt uitwerken.

BELANGRIJK is dat je alle elementen uit je onderzoeksvraag goed beschrijft, maar je je focus al vroeg en expliciet naar de belangrijkste deelvraag toe focust. Op die manier weerhoud je jezelf van uitweiden over niet-relevante elementen (zie valkuilen).

TIPS

  • Herformuleer een onderzoeksvraag tot een werkbare hoofdvraag die je makkelijk tot deelvragen kunt afbreken
  • Bepaal je focus om te voorkomen dat je gaat dwalen
  • Zorg dat je deelvragen álle elementen van de hoofdvraag dekken

Vastgelopen? Probeer, ook als je al veel geschreven hebt, de deelvragen te formuleren die nodig zijn om jouw hoofdvraag te beantwoorden. Schrijf ze op, en check goed of ze hoofdvraag helemaal dekken. Leg dit lijstje vervolgens naast je scriptie. Kun je nu zien waar je van het spoor bent geraakt? Heb je dingen opgeschreven die irrelevant zijn voor jouw hoofdvraag, of mis je juist cruciale zaken die het beantwoorden van je vraag in de weg staan? Of staan de elementen door elkaar of op de verkeerde plek, waardoor je je vraag niet logisch kunt beantwoorden?

Hypothesen

Formuleer je hypothesen of research questions

In wetenschappelijke scripties is het vaak vereist om hypothesen te formuleren.

Hypothesen zijn gerichte veronderstellingen of voorspellingen.

Om een hypothese op te stellen kun je je hoofdvraag als verwachting formuleren. Bijvoorbeeld: mijn hypothese is dat deze depressiebehandeling voor vermindering van depressiesymptomen zal zorgen.

  • Deze stelling is algemeen van aard, aangezien je verwacht dat alle mensen met depressieklachten goed zullen reageren op de therapie
  • De stelling is onderzoekbaar, aangezien je de constructen kunt operationaliseren
  • De stelling is falsificeerbaar, aangezien de verwachting ook niet uit kan komen

Omdat hypothesen vaak algemener van aard en zijn en wetenschappelijker geformuleerd moeten worden dan je hoofd- en deelvragen, wordt aangeraden in ieder geval tijdens het schrijven de hoofd- en deelvragen aan te houden (ook als je deze niet in je uiteindelijke scriptie verwerkt).

Valkuilen

Heel vaak wordt studenten verteld dat ze hun inleiding pas als laatste moeten schrijven. Dit is WAAR omdat je scriptie in principe een rapport is, waarin je je resultaten weergeeft. Dat doe je dus pas na je onderzoek. RISICO is echter dat je, als je inleiding uitstelt, ook het scherpstellen van je vraagstelling uitstelt. Daardoor begin je in het wilde weg te schrijven, waardoor je het spoor al gauw bijster bent. Zorg dus dat je altijd BEGINT met het formuleren van je hoofdvraag, zelfs als je die later nog wil aanpassen!

Veel voorkomende valkuilen:

  • Correlationele verbanden causaal uitleggen
  • Operationalisatie beschrijven of begrijpen als je onderzoeksconstruct
  • Je onderzoeksvraag te breed formuleren, waardoor je structuur in je verhaal ontbreekt
  • Je onderzoeksvraag te ‘fancy’ of ‘wetenschappelijk’ formuleren waardoor jij tijdens het schrijven je handvat kwijt bent

Ben je in zo’n valkuil gelopen? Doorloop dan eerst nog eens de denkstappen die hierboven zijn uitgelegd. Maak een schema, en bepaal wat voor soort verband je onderzoekt. Maak een gedegen inhoudsopgave en bedenk welke deelvraag waar besproken moet worden. Open vervolgens een nieuw leeg document, en herschik de informatie die je al had, maar dan op de juiste plek. Schrijf dat vervolgens aan elkaar binnen de leidraad van je hoofdvraag zie schrijven