Een literatuurstudie is bedoeld om de stand van zaken op te maken in een bepaald onderzoeksgebied. Je geeft een overzicht, weegt voors- en tegens af en zet die stand van zaken af tegen jouw onderzoeksvraag. Afhankelijk van je vraag kun je een algemeen overzicht geven, aanbevelingen doen over hoe-nu-verder, een discussie uit verschillende hoeken belichten of binnen een onderzoeksgebied op zoek gaan naar specifieke details of processen. Omdat de literatuurstudie vaart op een berg aan onderzoeksinformatie, is het cruciaal om in jouw onderzoek een steengoede onderzoeksvraag te gebruiken. Je onderzoeksvraag is jouw leidraad om informatie in een breed onderzoeksgebied af te bakenen en te structureren.

Hoe doe je dat?

In scriptiehandleidingen staat vaak dat je inleiding als laatste moet schrijven. Dit is WAAR, want je kan je introductie pas geven als je onderzoek al is gedaan. MAAR, voordat je begint te schrijven, moet jij al precies weten waar je naar toe werkt. Dit om te voorkomen dat je in het wilde weg gaat schrijven en zo de draad van je verhaal kwijt raakt. Dus, wat je ook doet, bedenk éérst een goede onderzoeksvraag!

Stappenplan

Op deze site wordt je een stappenplan aangeboden om vanuit de onderzoeksvraag je complete scriptie door te werken. Dit proces bestaat uit:

Deze fases bestaan ieder uit verschillende stappen, die hieronder worden toegelicht. Vastgelopen in je schrijffase? Leg dan je schrijfwerk even opzij en doorloop nog eens de denkfase. Een helder perspectief (en jezelf daarbij even boven dat moeras van informatie plaatsen) kan enorm helpen om je in de schrijffase weer op gang te helpen!

Stappenplan

Fase 1: Denkfase

Onderzoeksvraag formuleren: wat onderzoek je precies?
Probleemstelling verhelderen: waarom onderzoek je dat?
Scriptie structureren / inhoudsopgave maken: hoe ga je dat precies uitleggen?

Fase 2: Schrijffase

Scriptie schrijven: literatuur reviewen en hoofdstukken uitwerken
Conclusie(s) trekken: onderzoeksvraag beantwoorden

Fase 3: Afrondingsfase

Referenties: literatuurlijst maken
Abstract schrijven: argumentatie samenvatten

Stap 1: Onderzoeksvraag formuleren

Wat wil ik weten?

De eerste en belangrijkste stap van je literatuurstudie is het formuleren van een onderzoeksvraag. Van daaruit structureer je namelijk je hele scriptie. De vraag is bepalend voor je methode van onderzoek aan de ene kant, en de opbouw van je scriptie (rapportage) aan de andere kant. Een onderzoeksvraag bestaat in principe uit twee of meer constructen waartussen een bepaald verband wordt verondersteld. Je vraagt je bijvoorbeeld af welk effect roken heeft op de gezondheid, of hoe een beleidsvoorstel in een bedrijf de winstmarges heeft beïnvloed. Deze voorbeelden bevatten twee constructen (bijvoorbeeld ‘roken’ en ‘gezondheid’) waartussen een causaal verband wordt verondersteld (want verondersteld wordt dat door roken iets verandert in de gezondheid, oftewel, er wordt oorzakelijkheid verondersteld). De vragen zijn bovendien open gesteld: ze laten ruimte voor het vinden van een of meer antwoorden die je systematisch kunt onderzoeken en presenteren (en dus tegen elkaar kunt afwegen). Een onderzoeksvraag is dus een algemene vraag die jouw onderzoek leidt: de constructen die je kiest en het verband dat je daartussen veronderstelt, bepalen hoe en wat je precies gaat beschrijven.

Om dat concreet te maken, maak je gebruik van een hoofdvraag, deelvragen en hypothesen. Omdat deze elementen zo bepalend zijn voor de inhoud van je onderzoek, is het cruciaal dat je deze goed formuleert en uitdenkt voor je begint te schrijven. Je kunt de formulering altijd later nog aanpassen, maar de vraag als leidraad is noodzakelijk om je scriptie überhaupt te kunnen structureren. De hoofdvraag is de concrete vertaling van je onderzoeksvraag, waarin je de twee constructen en het verband daartussen helder opschrijft. Om te zorgen dat je het juiste verband op de juiste manier gaat onderzoeken en beschrijven, is het aan te raden de hoofdvraag schematisch uit te tekenen, zodat de structuur van je vraag steeds helder in je hoofd zit. De hoofdvraag werk je uit in concrete deelvragen. Deelvragen moet alle elementen en implicaties uit je hoofdvraag dekken. Werk zowel de hoofdvraag als de deelvragen uit voor je begint te schrijven, en check of jouw deelvragen je daadwerkelijk in staat stellen op een antwoord op je hoofdvraag te formuleren. Stel jezelf in dit denkproces dus steeds de vraag: Wat wil ik weten, en wat moet ik nu precies doen om die vraag te kunnen beantwoorden? De hoofd- en deelvragen zijn vooral belangrijk als geheugensteun en richtingaanwijzer voor jou in het schrijfproces. Afhankelijk van de eisen in jouw opleiding, geef je deze vragen in je inleiding concreet weer en/of werk je ze uit tot hypothesen. Hypothesen zijn vooronderstellingen van algemene aard, die je door middel van onderzoek (hetzij gevonden in de literatuur, hetzij zelf kwalitatief of kwantitatief onderzocht) probeert te onderbouwen. Hiermee geef je een verwachting over je resultaten, die je vervolgens kunt toetsen. Een hypothese kan bijvoorbeeld zijn dat een nieuw beleidsplan een positieve uitwerking heeft gehad op arbeidsmotivatie. Omdat hypothesen vaak wat wetenschappelijker en fancyer geformuleerd zijn, is het aan te raden in ieder geval altijd je hoofd- en deelvragen ernaast te houden.

Stap 2: Probleemstelling verhelderen

Waarom is mijn vraag interessant?

De onderzoeksvraag die je net hebt geformuleerd kwam uiteraard niet uit de lucht vallen, maar die heb jij bedacht op basis van de berg literatuur die je daarvoor al had gelezen. Er was iets in die literatuur dat jouw aandacht trok, iets waar je meer over wilde weten of iets waar jij (of andere auteurs) het niet mee eens bent (of zijn). Dat betekent dat jij jouw scriptie altijd schrijft met een bepaalde reden. Die reden maakt dat jij een dat oerwoud aan literatuur juist deze constructen haalt om te onderzoeken. De vraag die jij jezelf nu moet stellen is dus: wat maakt dat ik juist deze onderzoeksvraag stel? Waarom is die vraag

1) interessant?

voor mij als lezer van al die bestaande literatuur, voor andere personen (wetenschappers, de maatschappij, specifieke groepen mensen) of voor bepaalde processen op toepassingen (denk aan de ontwikkeling van nieuw beleid)

en 2) relevant?

voor het onderzoeksgebied zelf (is er bijvoorbeeld een nieuwe ontwikkeling of opvallende ontdekking die het waard is om af te zetten tegen oude opvattingen? Of is er een discussie gaande die er om vraagt eens helder uiteengezet te worden?) of voor de maatschappij (is het bijvoorbeeld nodig om oude gewoonten onder de loep te nemen?). Door over de relevantie van je vraag na te denken, kun je straks in jouw scriptie aangeven waarom het zo belangrijk is om bepaalde constructen en hun verbanden te onderzoeken. Dat ga je straks uitwerken door een schets te geven van het theoretische kader waarin je je onderzoek doet. Dat wil zeggen dat je weer gaat geven welke theorieën er bestaan over jouw onderwerp, en op welke manier jouw onderzoeksvraag daaruit volgt. BELANGRIJK in deze denkfase is dat je je af vraagt waarom jouw vraag relevant is, voordat je begint te schrijven. Stel dat jij er, door jezelf deze vraag te stellen, achter komt dat jouw vraag interessant noch relevant is, dan kun je op dit punt je vraag zo bijschaven dat deze wel interessant wordt (wat op zijn minst nuttig is voor je eigen motivatie!). Door na te denken over je probleemstelling voordat je begint te schrijven, krijg je bovendien op voorhand al meer grip op de plek die jouw onderzoek inneemt in een onderzoeksgebied. Een onderzoek staat nooit op zichzelf, maar is altijd verbonden aan alle dingen die we al weten. Als jij die plaats van jouw onderzoek in dat onderzoeksgebied helder voor je ziet, wordt je automatisch duidelijk welke zaken jij straks, bij het uitwerken van je probleemgebied en de rest van je argument, zal moeten beschrijven om de stand van zaken helder te krijgen. En als jij dat zelf serieus neemt, krijgt je betoog al op voorhand meer overtuigingskracht!

Stap 3: Scriptie structureren (inhoudsopgave)

Hoe ga ik mijn vraag beantwoorden?

Op dit punt in je denkproces heb je bepaald wat je gaat onderzoeken en waarom. De volgende stap is bedenken hoe je die vraag precies gaat beantwoorden. En belangrijker nog: hoe je het antwoord op jouw vraag gaat onderbouwen. Belangrijker dan het antwoord zelf is hoe je aan dat antwoord komt. Daarvoor is de presentatie van je argument cruciaal. Veel studenten beginnen na het stellen van de vraag, een uitgebreide wandeling te beschrijven door allerlei literatuur. Dat heeft twee risico’s. Ten eerste kan de literatuur die je gelezen hebt voor jou gaan bepalen wat je schrijft, terwijl dat juist zou moeten afhangen van wat jij wil weten (denk aan dat kader dat jouw hoofdvraag biedt). Ten tweede loop je het risico om zelf, tijdens het schrijven, de draad kwijt te raken, en dus je argument niet helder op papier te krijgen. Belangrijk is dat je voordat je begint te schrijven al weet waar je naar toe werkt. Het antwoord op je vraag moet jou dus al in grote lijnen duidelijk zijn (verfijning en uitwerking komen vaak pas als je schrijft, maar de hoofdlijn moet duidelijk zijn). Als dat duidelijk is, kun je namelijk bepalen wat je op welk moment in je scriptie moet uitleggen om te zorgen dat jouw antwoord logisch volgt uit je beschouwing. Je scriptie op voorhand structureren doe je het best door eerst een inhoudsopgave te maken. Hoeveel en welke hoofdstukken er nodig zijn, bepaal je aan de hand van je deelvragen. Je kunt per deelvraag een hoofdstuk schrijven, maar je kunt ook verschillende deelvragen in een hoofdstuk bespreken (bijvoorbeeld in verschillende paragrafen). Je groepeert je deelvragen dan thematisch. Belangrijk is dat je argumentatie steeds logisch volgt uit het voorgaande. Je (voorlopige) inhoudsopgave fungeert als een laatste check voordat je begint te schrijven. Je weet nu op voorhand precies wat je gaat doen en hoe, en je weet meteen of je daarmee ook echt in staat zal zijn een antwoord op je vraag te formuleren.

Stap 4: Scriptie schrijven

Hoe schrijf ik nu die scriptie?

Na het afronden van je denkfase begint het grote werk: schrijven. Veel studenten zien daar tegenop of lopen er in vast, maar zoals je hiervoor hebt gezien komt het – als je voldoende tijd aan je denkfase hebt besteed en jezelf daarin dus goed op weg hebt geholpen – uiteindelijk neer op het inkleuren van de lijnen die je al hebt uitgezet. Des te belangrijker is het dus ook om je aan die lijnen te houden! Zo zijn ze niet alleen je houvast, maar ook je stok achter de deur.

Vastgelopen? Keer dan nog eens terug naar de denkfase (zie bijvoorbeeld stappenplan inhoudsopgave). Zet zo opnieuw de lijnen van je scriptie uit. Gebruik vervolgens de teksten die je al geschreven had om die structuur in te kleuren.

In het schrijven van je scriptie zijn drie zaken van belang: 1) structuur, 2) inhoud, en 3) schrijfstijl. De structuur heb je in je denkfase al uitgezet: je hebt een plan gemaakt door je deelvragen te vertalen in een inhoudsopgave, waarbij je voor jezelf al hebt aangegeven welke literatuur je op welke plek moet gaan gebruiken om een antwoord te kunnen geven op je deel- en hoofdvragen. Daarmee heb je dus óók al een belangrijke opzet gegeven voor je inhoud: je weet al wat je moet beschrijven om naar de eindstreep te komen. Hoe je dat doet komt neer op het goed beschrijven en gebruiken van je literatuur. Keyword in het inhoudelijke proces is logica. Alles wat je opschrijft, moet logisch volgen uit het voorgaande. Dat betekent dat elk artikel en elke bron die jij in je literatuurstudie presenteert, een logische functie heeft in het beantwoorden van je hoofdvraag. Een logische volgorde krijg je door jezelf tijdens het schrijven steeds in de rol van lezer te verplaatsen: wat zou ik als lezer nu willen/moeten weten? Kan ik Z al vertellen als ik A nog niet heb uitgelegd? En is het handig om P uit te leggen voor Q, of toch beter andersom? Cruciaal is dat je hierbij steeds je onderzoeksvraag in je hoofd houdt: waarom wil ik mijn lezer dit vertellen en wat wil ik hem dan precies duidelijk maken? Door jezelf steeds deze vragen te stellen, wordt jouw hoofdvraag de leidraad voor de inhoud van je scriptie. Je bronnen (literatuur) kun je nu binnen dit kader van je hoofdvraag presenteren: als je een artikel beschrijft, geef je daarbij niet alleen aan wat de auteurs in hun artikel meldden, maar je geeft ook aan waarom JIJ dat hier nu beschrijft. Zo kun je de literatuur die je beschrijft dus steeds koppelen aan je hoofdvraag, waardoor je antwoord logisch kan volgen uit je beschouwing.

Stap 5: Conclusie(s) trekken

Hoe kan nu mijn hoofdvraag beantwoorden?

Het antwoord op je hoofdvraag heb je door je literatuurstudie heen eigenlijk al uitgewerkt. Door de beschrijving en combinatie van je literatuur (zie schrijven) heb je je bronnen zo gepresenteerd dat je antwoord daar logisch uit komt rollen. In de structuur van je scriptie heb je er al voor gezorgd dat elk hoofdstuk een antwoord op een deelvraag of cluster van deelvragen dekte. Omdat je in de denkfase van je scriptie je structuur zo hebt ingericht dat je deelvragen samen precies de hoofdvraag dekken, is het schrijven van je conclusie een kwestie van al die antwoorden op de deelvragen combineren tot een genuanceerd antwoord op je hoofdvraag. Belangrijk bij het schrijven van je conclusie, is dat jouw lezer in principe voldoende informatie zou krijgen als hij alleen je inleiding en je conclusie zou lezen. Dat betekent dat je niet alleen je antwoord op de hoofdvraag moet formuleren, maar ook kort aan de lezer moet uitleggen hoe je tot dat antwoord bent gekomen. Je geeft hem dus een beetje informatie over jouw onderzoeksproces. Dat doe je vooral om je conclusies te kunnen verantwoorden: de lezer moet in jouw conclusie een grove inschatting kunnen maken van de waarde van jouw antwoord. Dat kan hij alleen doen als hij een indruk heeft van hoe jij dat antwoord gevonden hebt. In je conclusie geef je echter niet alleen het antwoord op je hoofdvraag, maar koppel je dat antwoord ook aan het onderzoeksgebied waarbinnen je je onderzoeksvraag hebt geformuleerd. Je kunt bijvoorbeeld aangeven wat jouw bevindingen zeggen over de stand van zaken in dat onderzoeksgebied, of ze iets hebben toegevoegd, een nieuw inzicht hebben gegeven of misschien juist een overtuiging hebben tegengesproken. Zo plaats je dus jouw onderzoek binnen het onderzoeksgebied.

Stap 6: Referenties

Hoe maak ik een literatuurlijst?

Correct citeren en refereren is natuurlijk verplicht. Maar, het oog wil ook wat. Het is dus essentieel dat je literatuurlijst er goed uit ziet. Een literatuurlijst die niet precies voldoet aan de stijleisen, wekt de indruk van slordigheid en haastwerk, wat voor jouw beoordelaar waarschijnlijk een cue is om kritischer naar je stuk te kijken. Zorg dus dat je referenties netjes in orde zijn. Hoewel het sterk aan te raden is om al tijdens het schrijven van je scriptie (zie schrijven) bij te houden waar je je informatie vandaan haalt (denk aan paginanummers bij citaten, erg vervelend om dat naderhand nog terug te moeten zoeken), is het van belang ná het schrijfproces nog minstens een dag te besteden aan het opschonen van je referenties en literatuurlijst. Het maken van een literatuurlijst valt of staat namelijk met twee zaken: netheid en consistentie. De meest voorkomende referentiestijlen zijn de APA- en de MLA-conventie. Beide kennen een zeer precieze formulering van allerlei soorten literatuurverwijzingen. Kies de stijl die in jouw opleiding wordt gevraagd en voer deze consistent door. Lees na het opstellen je lijst nog een keer tot op de komma na. Laat hem desnoods nog eens door iemand anders nakijken.

Stap 7: Abstract schrijven

Hoe vat ik alles samen in 200 woorden?

Een abstract is een zeer beknopte samenvatting van je onderzoek. In een klein aantal woorden geef je dus zowel inzicht in jouw onderzoeksproces als in de belangrijkste resultaten en het belang daarvan voor het onderzoeksgebied waarbinnen je je scriptie hebt geschreven. Je kunt je abstract dus ook pas schrijven als je echt helemaal klaar bent, en precies weet wat je onderzoek heeft opgeleverd. Wees niet bang voor het kleine aantal woorden: nuance hoeft in een abstract niet (echt) aanwezig te zijn. De abstract dient vooral om de lezer te motiveren jouw stuk te lezen. Daarvoor moet je die lezer precies genoeg informatie geven om hem te overtuigen dat je een voor hem interessant stuk hebt geschreven. Denk maar aan hoe je zelf artikelen selecteerde voor je scriptie: om te bepalen of een artikel voor jouw onderzoek relevant was, selecteerde je artikelen vaak op basis van een zeer kleine hoeveelheid informatie in de abstract of op de achterflap van een boek. Die informatie moet dus precies de kern van het artikel dekken, zodat de lezer niet kan wachten het stuk verder door te lezen!