De structuur van je scriptie is cruciaal voor de inhoud van je betoog. Omdat een antwoord op je vraag op basis van je onderzoek zelf niet volstaat, maar pas af is als je dat antwoord ook goed hebt onderbouwd vanuit de literatuur. De bedoeling van een scriptie die gebaseerd is op kwantitatief onderzoek, is te laten zien dat jouw onderzoek op de een of andere manier iets bijdraagt aan jouw onderzoeksgebied. Daarvoor zal je verschillende artikelen, perspectieven en visies naast elkaar moeten leggen (zoals je opgezet hebt in je probleemstelling) en met elkaar en jouw onderzoeksresultaten moeten vergelijken

Om de bijdrage van jouw onderzoek aannemelijk te maken, moet je je scriptie opbouwen als een logisch argument: op basis van de stand van zaken in de literatuur, vond jij dat dit-en-dit nog beter onderzocht moest worden, en jouw resultaat zegt inderdaad (of juist helemaal niet) wat je verwacht had, waarmee jouw onderzoek een nieuw of ander licht kan schijnen op de stand van zaken in het onderzoeksgebied. In deze globale beschrijving zie je een zandlopermodel optreden: je schrijft van breed (onderzoeksgebied, literatuur) naar smal (specifiek onderzoek) terug naar breed (onderzoeksgebied). Bovenstaande beschrijving neem je als leidraad voor je logische argument: je ziet dat alle elementen logisch op elkaar volgen. Voordat je begint te schrijven is het belangrijk om dit argument goed te doordenken, zodat je het straks helder op papier kunt zetten zonder in je literatuurbeschrijving te verdwalen.

Afhankelijk van jouw opleiding schrijf je je scriptie straks op basis van 1) een aantal inhoudelijke hoofdstukken waar jouw onderzoek op voortborduurt, óf 2) volgens het vaste format Inleiding-Methode-Resultaten-Discussie. Onderstaande stappen helpen in beide gevallen om je scriptie inhoudelijk te structureren.

Van-A-naar-B bedenken

Je scriptie op voorhand structureren doe je het best door eerst een inhoudsopgave te maken. Deel je scriptie in in een 1) inleiding, 2) een x aantal inhoudelijke hoofdstukken, 3) rapportage van je onderzoek en 4) conclusie. Daarbij weet je al welke onderzoeksvraag je in de inleiding gaat stellen vanuit welk theoretisch kader, en je weet hoe je die vraag gaat onderzoeken. Je bedenkt vervolgens, op basis van alles wat je gelezen hebt en wat je in de rapportage van je onderzoek hebt opgemerkt, hoe je antwoord in de conclusie er ongeveer uit kan gaan zien. A en B zijn dus duidelijk. Hoe je vervolgens van A naar B kunt komen is de volgende stap.

Hoeveel en welke hoofdstukken er nodig zijn om van A naar B te komen, bepaal je aan de hand van je deelvragen. Je kunt per deelvraag een hoofdstuk schrijven, maar je kunt ook verschillende deelvragen in een hoofdstuk bespreken (bijvoorbeeld in verschillende paragrafen). Je groepeert je deelvragen dan thematisch. Belangrijk is dat je argumentatie steeds logisch volgt uit het voorgaande.

LET OP: in een format van Inleiding-Methode-Resultaten-Discussie vallen 1) inleiding en 2) een x aantal inhoudelijke hoofdstukken samen. Belangrijk is dus dat je een aantal van je deelvragen al aan bod moet laten komen in je inleiding. Vaak zijn dat beschrijvende deelvragen (bijvoorbeeld definities van je constructen, of gangbare opvattingen over beleid of behandeling) die je in je inleiding al kunt beantwoorden op basis van een (korte en compacte) literatuurstudie (zie schrijven).

Inhoudsopgave schrijven

Geef je hoofdstukken en/of paragrafen (werk)titels die precies zeggen wat er in dat hoofdstuk gaat gebeuren (in een Inleiding-Methode-Resultaten-Discussieformat kun je in je inleiding en je discussie gebruik maken van tussenkopjes of verschillende paragrafen). Zet vervolgens je titels onder elkaar in een inhoudsopgave. Kijk nu eens door je titels heen. De bedoeling is dat je aan de volgorde van de titels precies kunt zien hoe jij je argument gaat opbouwen.
Als jij bijvoorbeeld de vraag uitwerkt in hoeverre een nieuwe therapievorm werkt voor het verminderen van traumaklachten, dan zou je (werk)inhoudsopgave er zo uit kunnen zien:

  1. Inleiding – wat is trauma? (definitie)
  2. Hoe behandel je dat? (literatuur)
  3. Wat wordt er nu voorgesteld als behandeling? (beschrijving nieuwe behandeling)
  4. Hoe kunnen we de werkzaamheid onderzoeken? (methode van onderzoek)
  5. Werkt de nieuwe behandeling? (resultaten)
  6. Wat zegt dat over de oude opvattingen over behandeling van trauma? (conclusie)

In dit voorbeeld zie je ten eerste dat de (werk)titels van de hoofdstukken heel dicht liggen bij de deelvragen die nodig zijn om deze hoofdvraag te beantwoorden. Als je nu de titels van boven naar beneden leest, zie je eigenlijk al precies hoe je argument zal gaan verlopen. Daarin kun je structuur van de hoofdvraag herkennen: we beschrijven de twee constructen (A = ‘trauma’ en B = ‘behandeling’) en het verband dat daartussen wordt verondersteld (‘invloed van B op A’).

(LET OP: bij een Inleiding-Methode-Resultaten-Discussieformat beschrijf je 1 tot en met 3 in de inleiding.)

Door je inhoudsopgave dus op voorhand op te stellen, kun je direct checken of alle elementen die nodig zijn om de vraag te gaan beantwoorden, in je scriptie aanwezig zijn. Op basis van deze structuur kun je vervolgens de inhoud gaan vormgeven.

Bepaal welke inhoud in de structuur komt

Nu je de structuur van je scriptie in de inhoudsopgave hebt neergelegd, kun je bepalen wat je precies binnen die structuur gaat vertellen.

1) Schrijf op een vel papier je inhoudsopgave, en schrijf dan in steekwoorden achter elke titel wat je in dat hoofdstuk wil vertellen. Doe dat eerst in normaal Nederlands; bedenk dus voor jezelf welke informatie in dit hoofdstuk naar voren moet komen.

2) Op basis van deze uitleg kun je hoofdstukken in paragrafen uitwerken. Kijk bijvoorbeeld naar hoofdstuk 2 uit het voorbeeld over traumabehandeling. Dat hoofdstuk zou kunnen bestaan uit

§1. Wat moet er gebeuren om trauma op te lossen (missie & doelstelling)?

§2. Welke behandelingmogelijkheden zijn daar nu voor?

§3. Wat zijn de voor- en nadelen van die behandelingen?

In dit voorbeeld zie je dat niet alleen het construct ‘behandeling’ zelf wordt belicht, maar ook al een beschrijving wordt gegeven van voor- en nadelen – oftewel, van de toepasbaarheid. Dit is handig op deze plek in je scriptie, omdat je zo al kunt suggereren zien dat toepassingen in de praktijk altijd voor verbetering vatbaar zijn, en de nieuwe behandeling die jij onderzoekt die problemen misschien wel kan oplossen.

3) Bepaal vervolgens welke literatuur je in je paragrafen gaat gebruiken. Bedenk daarbij steeds wat voor soort artikelen het zijn: een overzichtsartikel kun je goed gebruiken in een algemene beschrijving of definitie, een artikel van een tegenstander of over een nieuw perspectief kun je beter later inzetten.

BELANGRIJK is daarbij dat je niet alleen artikelen hoeft te gebruiken die jouw specifieke verband beschrijven! Wees vrij om zelf literatuur zo te combineren dat jij antwoord kan geven op jouw vraag (en verwacht dus ook niet dat je dat antwoord elders in de literatuur zal tegen komen!)

TIP

  • Als jij een boek zoekt om informatie te krijgen over jouw onderwerp, kijk je in de inhoudsopgave. Bieden de titels niet wat je zoekt? Dan zet je het boek vaak meteen weer weg. Zorg zelf dus ook voor inhoudelijke titels, zodat aan de index direct te zien is wat jij in je literatuurstudie gaat bespreken.

Vastgelopen in de structuur van je scriptie? Leg je scriptie dan even opzij en loop nog eens door de stappen van de denkfase heen. Teken de structuur schematisch op aan de hand van je onderzoeksvraag, en ontwerp de inhoudsopgave. Probeer je niet te laten leiden door wat je al op papier hebt staan! Als je de structuur van je verhaal opnieuw ontwerpt, kun je negen van de tien keer de informatie uit je draft hergebruiken voor het nieuwe stuk. Zorg er daarbij steeds voor dat je stukjes met informatie op een logische plek in het verhaal staan (zie ook schrijven).