In de denkfase heb je vanuit je probleemstelling of theoretisch kader een onderzoeksvraag geformuleerd. Die vraag heb je vervolgens afgebroken tot een onderzoekbare hoofdvraag (zie stappenplan) een aantal concrete deelvragen. Hoe je deze vragen hebt geformuleerd is bepalend voor wat je precies kunt onderzoeken. Om je onderzoek te kunnen opzetten, moet je dus eerst goed kijken naar wat voor soort vragen je gesteld hebt, en met behulp van welke methodologie je die vragen kunt beantwoorden. Als je je opzet goed doordenkt, is het uitvoeren straks een kwestie van je eigen plan goed volgen en het onderzoek inkoppen.

Ervaring leert dat je je onderzoek alleen goed kunt beschrijven als je ook echt begrijpt wat je precies gedaan hebt én waarom. Je opzet is dus vooral belangrijk als leidraad voor jezelf. Stap dus niet in die valkuil dat je denkt dat je je opzet alleen schrijft voor je docent, je cijfer, de checklist… Help jezelf hier vast goed op weg!

Onderzoek opzetten

Type vraag bepalen

Om te kunnen bepalen wat voor soort onderzoek je moet gaan doen, is het belangrijk om je eerst af te vragen wat voor soort vraag je eigenlijk stelt. Het type vraag is namelijk sterk bepalend voor je methodologie.

Pak je onderzoeksvraag erbij, liefst uitgetekend in schema (zie stappenplan).

Stel jezelf nu een aantal vragen:

LET OP: deze vragen kun je gebruiken in de opzet en analyse van je onderzoek, maar ook in je inleiding en conclusie. Een goed beeld krijgen van de aard van je onderzoeksvraag vormt dus een belangrijke leidraad voor je hele scriptie! (zie stappenplan en schrijven)

1) Stel ik een beschrijvende of vergelijkende vraag?

  • Vraag je bijvoorbeeld naar de efficiëntie van bedrijf X, dan stel je een beschrijvende vraag waarbij je een stand van zaken wil onderzoeken
  • Vraag je bijvoorbeeld naar de invloed van nieuw beleid Y op de efficiëntie van bedrijf X, dan stel je een vergelijkende vraag waarbij je wil toetsen of het de stand van zaken nu beter is dan op een eerder moment. Deze vergelijkende vraag kun je toetsen

2) Stel ik een causale of een correlationele vraag?

  • Vraag je bijvoorbeeld naar hoe roken de gezondheid beïnvloedt, dan onderzoek je een oorzakelijk verband (=causaal). Je gaat er namelijk vanuit gaat dat construct A construct B beïnvloedt (zie ook stappenplan)

LET OP: alleen causale vragen kunnen verklaringen opleveren.

  • Vraag je bijvoorbeeld hoe hechtingsstijl samenhangt met partenerkeuze, dan onderzoek je een associatief verband (=correlationeel) waarbij je er vanuit dat construct A en construct B op de een of andere manier samenhangen, zonder dat je echt veronderstelt dat A B bepaalt of andersom

3) Vraag ik naar (observeerbare) eigenschappen of waarden?

  • Vraag je bijvoorbeeld naar prestaties van jongeren op een schoolexamen, dan vraag je naar (min of meer) observeerbare eigenschappen (denk aan concreet meetbare eigenschappen zoals lengte, aantal vrienden of winstmarges, maar ook aan testscores en percentuele aandelen in een totaal)
  • Vraag je bijvoorbeeld naar de tevredenheid met eigen schoolprestaties van jongeren, dan vraag je naar waarden: naar de ideeën, overtuigingen, gevoelens, attitudes, et cetera van mensen zelf

 

Methodologie bepalen

Je hebt nu bepaald wat voor soort vraag je stelt. Vervolgens kun je bepalen wat voor soort methodologie daarbij past.

LET OP: de vragen hierboven zijn zeer globaal, evenals onderstaande methodologische tips. Verfijn deze altijd verder voor jouw onderzoeksvraag – eventueel met hulp van je begeleider.

1) Stel je een beschrijvende vraag over een bepaalde stand van zaken?

  • dan kan je je populatie onderzoeken door bijvoorbeeld eigenschappen te tellen, percentueel uit te drukken of schematisch weer te geven
  • of kan je de samenhang van bepaalde fenomenen in die stand van zaken onderzoeken (bijvoorbeeld het tegelijk optreden van maatschappelijke situaties)

Stel je een vergelijkende vraag over hoe een bepaalde stand van zaken verschilt van andere situaties?

  • dan kun je (getelde of gemeten) eigenschappen vergelijken met andere eigenschappen, andere groepen of andere momenten.

2) Stel je een causale vraag over hoe een construct A invloed heeft op construct B (of: populatie X)?

  • dan kun je twee of meer groepen maken, waarin je construct A varieert (bijvoorbeeld: de ene groep krijgt wel een medicijn en de andere niet). Zo kun je de invloed van A op B meten en met behulp van statistische methoden op verschil toetsen om te bepalen of A daadwerkelijk een ander resultaat oplevert op B in de twee groepen.
    LET OP: causaliteit kun je alleen toetsen als je daadwerkelijk iets manipuleert. Als je een causale vraag stelt zal je dus een experiment moeten opzetten waarin je verschillende groepen met elkaar vergelijkt

Stel je een correlationele vraag over hoe construct A en construct B samenhangen?

  • dan kun je in je hele onderzoeksgroep beide constructen meten of uitvragen, en deze vervolgens met statistische methoden analyseren op samenhang.

LET OP: voor correlationeel onderzoek hoef je niet perse met verschillende groepen te werken, maar kun je binnen dezelfde groep verschillende maten met elkaar vergelijken (bijvoorbeeld een vragenlijst over rookverslaving en een fysieke meting van gezondheid)

3) Stel je een vraag naar (observeerbare) eigenschappen?

  • dan kun je die eigenschappen vast stellen door ze te tellen of te meten. Je kunt daarvoor gebruik maken van turflijsten of scoringsformulieren, tests, (zelf-rapportage)vragenlijsten en Likert-schalen, of fysieke meetapparatuur

Stel je een vraag naar waarden?

  • dan kun je gebruik maken van vragenlijsten, zelf-rapportage of -observatie, surveys (enquêtes)
    LET OP: zelf-rapportage vragenlijsten kun je ‘objectief’ scoren, waardoor je ze kunt kwantificeren. Zo kun je ze dus gebruiken voor kwantitatief onderzoek
  • of je kunt interviews afnemen
    LET OP: ongestructureerde interviews zijn kwalitatief, wat wil zeggen dat je je informatie haalt uit inhoudelijke antwoorden en uitspraken en niet als cijfers. Je kúnt wel interviews gebruiken als ondersteuning van je kwantitatieve resultaten (bijvoorbeeld door opvallende resultaten toe te lichten met behulp van citaten. Dan gebruik je mixed methods.

Statistische methoden bepalen

Voordat je aan je onderzoek begint, is het aan te raden om alvast te bepalen welke statistische methoden je kunt gebruiken om je analyses straks uit te voeren. De adviezen hieronder zijn globaal: er wordt per type onderzoek aangegeven welk soort analyses je kunt verrichten. Dat zijn de hoofdcategorieën van statistische analyses, gebaseerd op de analysemogelijkheden van SPSS . Die moet je dus zelf, afhankelijk van je specifieke vraag, verder verfijnen (zie ook statistiekkoning.nl).

1) Stel je een beschrijvende vraag over een bepaalde stand van zaken?

  • Descriptives, frequencies, graphs
    (= beschrijvend onderzoek; ook te doen met Excel)
  • óf: Regressieanalyse (= analyse van samenhang of associatieve)

Stel je een vergelijkende vraag over hoe een bepaalde stand van zaken verschilt van andere situaties?

  • Variantieanalyse (= steekproefanalyse)
    (bij interval of ratiovariabelen)
  • óf: Kruistabellen (=chi-squares)
    (bij nominale of ordinale variabelen)

2) Stel je een causale vraag over hoe een construct A invloed heeft op construct B (of: populatie X)?

  • Variantieanalyse
    (bij interval of ratiovariabelen)
  • óf: Kruistabellen
    (bij nominale of ordinale variabelen)

Stel je een correlationele vraag over hoe construct A en construct B samenhangen?

  • Regressieanalyse

3) Stel je een vraag naar (observeerbare) eigenschappen?

  • Variantieanalyse
    (bij vergelijken van groepen op interval of ratiovariabelen)
  • óf: Kruistabellen
    (bij vergelijken van groepen op ordinale of nominale variabelen)
  • óf: Regressieanalyse
    (bij onderzoeken van samenhang in stand van zaken)

Stel je een vraag naar waarden?

  • Variantieanalyse
  • óf: Regressieanalyse
  • óf: Kruistabellen
  • óf: Descriptives
    (keuze afhankelijk van vragen 1 en 2)
    LET OP: Waarden kun je ook kwalitatief onderzoeken, of ondersteunend bij kwantitatieve methoden presenteren (mixed methods)

TIP:

  • De methodologie die jij in je onderzoek gaat gebruiken, zal waarschijnlijk aardig aansluiten bij de methodologie die onderzoekers in jouw onderzoeksgebied gebruiken. Kijk voor inspiratie dus ook terug naar de onderzoeksartikelen uit je theoretisch kader.

Vastgelopen? Keer dan nog eens terug naar je denkfase. Zie weer even je oma voor je, en probeer haar uit te leggen (in de simpelste en Nederlandse bewoordingen) wat je wil onderzoeken, waarom, en wat je daar dus voor moet doen. Wie of wat moet je vergelijken om je vraag te kunnen beantwoorden? Waarom zou de ene groep zich volgens jouw hypothese anders gedragen dan de andere?

Probeer vervolgens antwoord te geven op de vragen hierboven. Doe dat ook voor jezelf in de simpelste bewoordingen: wat wil ik weten (beschrijving, samenhang, vergelijking?), welke variabelen gebruik ik om dat te onderzoeken (nominaal, ordinaal, interval of ratio?), welke hoofdgroep analyses hoort daarbij?

Als je deze gegevens voor jezelf duidelijk hebt, kun je je verder verdiepen in hoe die methodologie precies werkt (zie ook statistiekkoning.nl).

Onderzoek Uitvoeren

Hoe je jouw onderzoek moet uitvoeren, hangt af van de eisen en gewoontes in jouw opleiding. Zorg in ieder geval dat je je plan netjes uitvoert. Wil je of moet je (bijvoorbeeld van je begeleider) wijzigingen aanbrengen in de opzet van je methode of analyse? Zorg dan dat je altijd goed begrijpt wat je precies moet wijzigen en vooral waarom!

TIPS:

  • Begin pas aan je onderzoek als jij voor jezelf helemaal duidelijk hebt hoe je het precies gaat aanpakken en waarom
  • Houdt nauwkeurig bij wat je tijdens je onderzoek allemaal moet doen en gedaan hebt. Maak daarvoor een logboek of checklist, zodat je tijdens je onderzoek niets vergeet (zeker als je met menselijke proefpersonen werkt)
  • Gebruik diezelfde logboeken en notities als basis voor het schrijven van je rapportage straks (of voor je presentatie en/of verdediging)
  • Verander de opzet of methodologie van je onderzoek nooit als je al begonnen bent! Dat maakt je data onbruikbaar en onvergelijkbaar