Kwalitatief onderzoek is gericht op de kwalitatieve elementen (“qualia”) in menselijk gedrag. Dat wil zeggen dat kwalitatief onderzoek inzoomt op hoe mensen dingen ervaren. Een heel belangrijke insteek, want waar kwantitatief onderzoek vooral gericht is op die dingen zelf (hoe zit een fenomeen in elkaar, wat zijn daar de oorzaken van, en wat de gevolgen, et cetera), gaat kwalitatief onderzoek in op de rol van mensen in het begrijpen en waarderen van die fenomenen.
Omdat menselijke ervaring in kwalitatief onderzoek centraal staat, is het vooral op subjectieve informatie gestoeld. Daardoor zijn resultaten van kwalitatief onderzoek altijd plaats- en tijdgebonden (contextafhankelijk). Je kunt met kwalitatief onderzoek dus nooit harde feiten over fenomenen op tafel krijgen. Niet erg, want dat is ook niet het doel van dit onderzoek (zie boven: we willen juist weten wat mensen met die fenomenen doen). BELANGRIJK is echter wel dat je je dat steeds realiseert: in het kiezen van je methode én in het rapporteren daarvan moet je je steeds bewust zijn van het feit dat je met subjectieve informatie werkt. Wil je toch ‘hardere’ feiten onderzoeken, of wil je subjectieve ervaringen meer objectief begrijpen? Dan kun je naast (mixed methods) of in plaats van kwalitatief onderzoek gebruik maken van kwantitatief onderzoek.

Interviews automatisch omzetten in tekst?

AmberScript gebruikt kunstmatige intelligentie waardoor 90% van jouw audio correct wordt uitgetypt.

  • Bespaar veel tijd, je hoeft de tekst alleen maar nog te corrigeren
  • Herkent meerdere sprekers
  • Genereert timestamps automatisch
  • Werkt voor Nederlandse en Engelse interviews
  • Is gebruiksvriendelijk

    Probeer het uit! De eerste 30 minuten zijn gratis.

Onderzoek opzetten

Kwalitatief onderzoek gebruik je dus om de menselijke kant van het verhaal te onderzoeken. Daarbij maak je gebruik van data die je in gesprek met mensen (of door analyse van gesproken of geschreven meningen) verzamelt. Omdat menselijke uitspraken in principe alle kanten uit kunnen gaan (zoveel mensen zoveel meningen), is het belangrijk dat je je methodologie goed richt. Daarvoor is het belangrijk éérst te bepalen welke methodologie past bij jouw onderzoeksvraag, om vervolgens voor jezelf een goede leidraad te kunnen maken voor je onderzoek. Dat om te voorkomen dat je in het wilde weg gaat interviewen of teksten gaat analyseren, waardoor je afdwaalt van je onderzoeksthema en uiteindelijk niet uitkomt bij een antwoord op jouw onderzoeksvraag.

Type vraag bepalen

Om te kunnen bepalen wat voor soort onderzoek je moet gaan doen, is het belangrijk om je eerst af te vragen wat voor soort vraag je eigenlijk stelt. Het type vraag is namelijk sterk bepalend voor je methodologie.
Pak je onderzoeksvraag erbij. Stel jezelf nu eerst voor je hoofdvraag de volgende vragen:

  1. Casus of tijdscohort?
    • Wil je iets weten over hoe mensen nu (of in de recente geschiedenis) over een bepaalde situatie denken?
    • Of wil je juist weten hoe opvattingen of meningen van mensen over langere tijd veranderd zijn?
  2. Geschreven of gesproken?
    • Zijn de meningen die jij wil onderzoeken op schrift gesteld (bijvoorbeeld in de media, op blogs, dagboeken, (politieke) beleidsstukken, advertenties)?
    • Of ben je voor je onderzoek afhankelijk van wat mensen je kunnen vertellen (bijvoorbeeld in keuzes in consumentengedrag, publiekservaringen of ervaringen met behandelingen of interpersoonlijk contact)?
  3. Toetsen of exploreren?
    • Heb jij op basis van jouw intuïtie of ervaring of op basis van een theorie, een idee over de subjectieve ervaring van mensen, en wil je die theorie of intuïtie toetsen door met mensen te praten?
    • Of heb je geen idee hoe mensen over een fenomeen denken, en zouden alle antwoorden wat jou betreft even mogelijk zijn?

Methodologie bepalen

Je hebt nu bepaald wat voor soort vraag je stelt. Vervolgens kun je bepalen wat voor soort methodologie daarbij past.

LET OP: de vragen hierboven zijn zeer globaal, evenals onderstaande methodologische tips. Verfijn deze altijd verder voor jouw onderzoeksvraag – eventueel met hulp van je begeleider.

  1. Onderzoek je een casus, bijvoorbeeld hoe leden van een partij leiderschap waarderen?
    Maak dan gebruik van interviews die inzicht kunnen geven in de waardering van een specifieke groep mensen over een specifieke stand van zakenOnderzoek je een tijdscohort, bijvoorbeeld hoe de waardering van leiderschap binnen             een partij is veranderd sinds de op richting?
    Maak dan gebruik van documentanalyse (bijvoorbeeld beleidsplannen of notulen uit de beginperiode) en vergelijk die met een documentanalyse van recente documenten, óf vergelijk die met informatie uit interviews met de huidige leden (mixed methods).
  2. Onderzoek je geschreven bronnen, bijvoorbeeld de expressie van seksualiteit op digitale fora en blogs?
    • Dan kun je documentanalyse uitvoeren over de geschreven bronnen
    • en/of de auteurs en/of lezers van de bronnen benaderen voor diepte-interviews

    Onderzoek je subjectieve gedragsoverwegingen, bijvoorbeeld de voorkeur om altijd het nieuwste te hebben?

    • Dan kun je je doelgroep (of een steekproef daaruit) interviewen
  3. Onderzoek je een hypothese, bijvoorbeeld de verwachting dat jongeren steeds             individualistischer zijn geworden?
    • Maak dan gebruik van gestructureerde of semi-gestructureerde interviews, waarbij je de vragen van tevoren goed hebt afgebakend op basis van je vraag en thema (waar je tijdens het interview resp. niet of een beetje van kunt afwijken). Zo kun je je hypothese toetsen door te kijken of de antwoorden op jouw gestructureerde vragen overeenkomen met je verwachting

    Onderzoek je een open vraag zonder verwachtingen, bijvoorbeeld hoe jongeren zich             voelen in deze individualistische maatschappij?

    • Maak dan gebruik van ongestructureerde of exploratieve interviews, waarbij je geen of nauwelijks richting geeft aan de antwoorden van je respondenten

Om je hoofdvraag te kunnen beantwoorden, kies je dus voor een bepaalde methodologie, op basis van bovenstaande vragen. Je hoofdvraag heb je in je denkfase afgebroken tot een aantal concrete deelvragen, die alle implicaties van je hoofdvraag dekten (zie onderzoeksvraag). Het is echter niet vanzelfsprekend dat je ál je deelvragen met dezelfde methodologie kunt beantwoorden.

Stel bijvoorbeeld dat je wil onderzoeken hoe een nieuw screeningsinstrument voor depressie bij ouderen wordt ontvangen.

Deelvragen daarbij zullen zijn:

  1. Wat is depressie bij ouderen?
  2. Wat is de prevalentie van depressie bij ouderen?
  3. Wat is de relevantie van screening op depressie bij ouderen?
  4. Hoe zit het screeningsinstrument in elkaar?
  5. Hoe ontvangen ouderen het screeningsinstrument?

In dit voorbeeld zie je dat een aantal beschrijvende deelvragen nodig zijn om uiteindelijk de vraag naar ervaring te kunnen onderzoeken. Direct duidelijk is dat alleen deelvraag 5 kwalitatief onderzocht kan worden. De overige deelvragen zijn gebaseerd op literatuuronderzoek, epidemiologische informatie en praktische beschrijving van een screeningsinstrument (bijvoorbeeld op basis van wetenschappelijke literatuur, een bijsluiter of praktijkervaring van de uitvoerder).

BELANGRIJK is dus dat je niet al je informatie uit je interviews of documentanalyse hoeft te halen. Een deel van je onderzoeksvraag kun je ook beantwoorden op basis van literatuuronderzoek (dat dus een stap verder gaat dan je theoretisch kader, zie probleemstelling, en dus wel bij je onderzoeksresultaten moet worden).

Methodologie opzetten

Nu je bepaald hebt welke methodologie past bij jouw hoofd- en deelvragen, kun je je onderzoeksmethode opzetten. BELANGRIJK is namelijk – vooral als je met interviews werkt – dat je je methodologie goed voorbereidt. Je hebt vaak maar één kans om mensen te spreken, dus moet je vooral goed weten wat je ze wil vragen, zodat je data straks ook echt bruikbaar is om je hoofdvraag te kunnen beantwoorden.

Interview opzetten

1. Verhelder je onderzoeksthema

Om een interview op te kunnen zetten, is het belangrijk dat je je onderzoeksthema of onderzoekstopic helder in je hoofd hebt. Kijk daarvoor terug naar je probleemstelling: stel je voor dat je aan je oma zou moeten uitleggen wat je gaat onderzoeken. Dan geef je kernachtig en in normaal Nederlands weer wat je vraagstelling is, en welke dingen jij aan je respondenten zou moeten vragen om straks een antwoord op je hoofdvraag te kunnen formuleren. Zorg op deze manier dat je voor jezelf goed weet wat je ook alweer gaat onderzoeken.

2. Bepaal je doelgroep

Wie moet jij nu gaan interviewen om je thema goed te kunnen onderzoeken en straks je hoofdvraag te kunnen beantwoorden?

BELANGRIJK in het opzetten van je interview is dat je een representatieve groep samenstelt. Meestal krijg je namelijk niet alle mensen te spreken die voor jouw onderzoek interessant zijn. Stel bijvoorbeeld dat je mensen wil interviewen die veel stress ervaren op hun werk. Dan is het vrij waarschijnlijk dat de mensen die heel veel stress ervaren, geen tijd gaan vrijmaken voor jouw interview. Dan krijg je dus alleen de minder gestreste mensen voor je, waardoor jouw groep niet helemaal representatief is. Maak dus een goed plan over wie je gaat benaderen en hoe je dat gaat doen.

3. Ontwerp je vragen (leidraad)

Om je thema goed te kunnen onderzoeken, is het belangrijk om op voorhand een aantal goede vragen te bedenken. In een exploratief interview is een klein aantal vragen (als geheugensteun voor jezelf) voldoende. In een (semi-)gestructureerd interview is het juist belangrijk dat het hele verloop van je interview al klaar staat, zodat je van élke respondent antwoord op precies dezelfde vragen krijgt.

TIPS:

  • Werk in je interview van algemeen naar specifiek (begin niet met té gedetailleerde vragen)
  • Houdt er altijd rekening mee dat mensen hun eigen ervaringen met jou delen. Zorg dus (zeker bij gevoelige onderwerpen) voor een rustige opbouw, waardoor ze jou als interviewer kunnen gaan vertrouwen voor ze hun persoonlijke leven op tafel moeten leggen
  • Maak een goede balans tussen open vragen, directe vragen, specificerende vragen en gesloten vragen
  • Houdt je vragen kort en bondig: wees zelf niet teveel aan het woord

4. Ontwerp je codering

Om je interviews straks te kunnen interpreteren, is het belangrijk om van tevoren goed na te denken over je codering. Alles wat jouw respondenten zeggen ga jij namelijk thematisch coderen, wat wil zeggen dat je de uitspraken gaat indelen naar soort en type, zodat je de antwoorden van verschillende respondenten met elkaar kunt vergelijken. Daarvoor kun je gebruik maken van bestaande (digitale) coderingssystemen (gebruik daarvoor je literatuur als inspiratie, als daar veel met een bepaald coderingssysteem wordt gewerkt kun jij dat systeem ook gebruiken). Ook kun je een eigen coderingssysteem ontwerpen dat past bij jouw onderzoeksvraag.

Codering kan deductief of inductief zijn (vergelijk de 3e vraag in methodologie opzetten). Deductief wil zeggen dat je op basis van de theorie (of op basis van jouw persoonlijke verwachting of ervaring) op zoek gaat naar bepaalde woorden en uitspraken. Je codeert dan dus vanuit de theorie, waardoor je vaak al een aantal constructen of variabelen (denk aan constructen als leiderschap of optimisme) verwacht die je kunt terugzoeken in de uitspraken.

BELANGRIJK is dat als je kiest voor deductieve codering, je van tevoren al goed weet naar welke constructen je op zoek bent. Zo kun je namelijk checken of de vragen die je in je leidraad hebt opgesteld daadwerkelijk informatie over deze constructen kunnen opleveren. Bovendien kun je, als tijdens het interview antwoorden worden gegeven die neigen naar die constructen, specifiek doorvragen.

Bij inductieve codering hangt je codering af van de antwoorden die je gekregen hebt. Dat noem je ook wel open codering: je weet op voorhand nog niet (precies) waar je naar op zoek bent. Dit type codering kan je niet (echt) voorbereiden.

5. Zorg voor goede opnameapparatuur

Om je interviews straks op een betekenisvolle manier te kunnen interpreteren en verwerken, is het belangrijk dat je je interviews opneemt. Alleen op die manier kun je ze straks transcriberen en vervolgens coderen, waardoor je de data daadwerkelijk kunt interpreteren. Als je alleen aantekeningen maakt tijdens het interview, kun je de informatie alleen als anekdotisch bewijs gebruiken (wat meestal niet genoeg is voor een (wetenschappelijke) scriptie).

Documentanalyse opzetten

1. Verhelder je onderzoeksthema

Om je documentanalyse te kunnen opzetten, is het belangrijk dat je je onderzoeksthema of onderzoekstopic helder in je hoofd hebt. Kijk daarvoor terug naar je probleemstelling: stel je voor dat je aan je oma zou moeten uitleggen wat je gaat onderzoeken. Dan geef je kernachtig en in normaal Nederlands weer wat je vraagstelling is, en welke dingen jij in je teksten zou moeten terugvinden om straks een antwoord op je hoofdvraag te kunnen formuleren. Zorg op deze manier dat je voor jezelf goed weet wat je ook alweer gaat onderzoeken.

2. Bepaal documentselectie

Vanuit je onderzoeksthema bepaal je vervolgens welke documenten je moet selecteren voor analyse, en hoe je dat gaat doen. Om je data straks op een betekenisvolle manier te kunnen interpreteren, moet je een selectie van teksten maken die jou ook echt in staat stelt om je hoofdvraag te kunnen beantwoorden. Dat betekent dat je moet kunnen verantwoorden waarom je sommige documenten wel en andere niet hebt meegenomen in je analyse.

Onderzoek je bijvoorbeeld de leiderschapsstijl van de huidige leider van een partij door zijn beleidsnota’s te bekijken, dan zal je in principe alle nota’s van zijn hand sinds zijn aanstelling moeten bekijken. Onderzoek je leiderschapsstijl in een partij over tijd, dan kun je alle beleidsnota’s bekijken of een selectie in maken, bijvoorbeeld door de eerste of de controversiële beleidsnota’s van iedere nieuwe partijleider te onderzoeken.

3. Ontwerp je codering

Om je documenten straks te kunnen interpreteren, is het belangrijk om van tevoren goed na te denken over je codering. In documentanalyse ga je binnen documenten op zoek naar bepaalde woorden, uitspraken of thema’s, die je thematisch groepeert of turft. Daarvoor kun je gebruik maken van bestaande (digitale) coderingssystemen (gebruik daarvoor je literatuur als inspiratie, als daar veel met een bepaald coderingssysteem wordt gewerkt kun jij dat systeem ook gebruiken) of een eigen coderingssysteem ontwerpen dat past bij jouw onderzoeksvraag.

Codering kan inductief of deductief zijn (vergelijk de 3e vraag in methodologie opzetten).Deductief wil zeggen dat je op basis van de theorie (of op basis van jouw persoonlijke verwachting of ervaring) op zoek gaat naar bepaalde woorden en uitspraken. Je codeert dan dus vanuit de theorie, waardoor je vaak al een aantal constructen of variabelen (denk aan constructen als leiderschap of optimisme) verwacht die je kunt terugzoeken in de uitspraken. Bij inductieve codering hangt je codering af van de antwoorden die je gekregen hebt. Dat noem je ook wel open codering: je weet op voorhand nog niet (precies) waar je naar op zoek bent. Dit type codering kan je niet (echt) voorbereiden.

Onderzoek uitvoeren

Interviews afnemen is een pittig klusje: je moet goed voorbereid zijn, en toch ben je nooit helemaal voorbereid. Elk gesprek is tenslotte anders, sommige mensen praten heel veel en anderen juist heel weinig, sommigen geven to the point antwoord en sommigen weiden juist sterk uit, sommige respondenten hebben veel aanmoediging nodig om jou te gaan vertrouwen terwijl anderen het allemaal wel best vinden…

Houd tijdens het interviewen je interviewskills in de gaten zoals je die in jouw opleiding geleerd hebt. Algemene tips daarbij zijn:

  1. Wees niet te ongeduldig: mensen hebben soms tijd nodig om tot hun antwoord te komen
  2. Wees niet te sturend: geef mensen de ruimte hun eigen antwoord te formuleren, ook als dat anders is dan jij verwachte
  3. Stel je open en geïnteresseerd op: mensen spiegelen vaak en graag, dus hoe positiever jij in het gesprek staat, hoe meer mensen dat terug zullen geven
  4. Houdt je vragen kort en bondig, maar zorg wel dat je respondent de vraag begrijpt
  5. Luister goed naar je respondent, en gebruik zijn woorden om bruggetjes te slaan tussen de vragen uit je leidraad
  6. Denk steeds terug aan je uitleg van je onderzoek aan je oma: wat wilde je ook alweer weten? Laat je niet afleiden door uitweidingen van je respondent, blijf bij je thema

Interviews transcriberen

Om straks je interviews te kunnen interpreteren, moet je je interviews nauwkeurig transcriberen, oftewel letterlijk uitschrijven. Dat is nodig om de antwoorden van je respondenten te kunnen coderen en vervolgens patronen in hun uitspraken te kunnen ontdekken.

Afhankelijk van jouw opleiding schrijf je het interview helemaal uit (inclusief of exclusief alle uhm’s en aha’s) of transcribeer je alleen de delen die voor jouw onderzoeksvraag relevant bleken. Als je je transcripten in moet leveren, doe je dat in principe als bijlage. In je resultaten geef je alleen (een samenvatting van) je codering weer.

Coderen

De volgende stap is het coderen van je interviews en/of je documenten. De leidraad voor de codering heb je al opgesteld in de opzet van je onderzoek.

Deductief coderen

1. Leg je coderingsleidraad naast je transcripten of documenten, en bepaal per zin of teksteenheid de code. Bij deductieve codering ga je in de responsen op zoek naar de constructen die je op voorhand hebt vastgesteld, en geef je elke zin die daar aan voldoet de code van dat construct (of eventueel van een subconstruct). Ook kun je een code ontwerpen voor een uitspraak die juist tegengesteld is aan dat construct.

2. Vervolgens groepeer je de codes. Dat wil zeggen dat je alle codes die thematisch met elkaar samen hangen (bijvoorbeeld overtuigend leiderschap en dominant leiderschap) naast elkaar legt. Zo maak je in feite een gecodeerde samenvatting van ieder interview op zich.

3. Vervolgens kun je een hiërarchie bepalen. Welke codes komen het meeste voor, en welke juist veel minder? Verschillen die zwaartepunten per interview, of komt de verdeling overeen bij verschillende respondenten? Deze hiërarchie bepaal je zowel per interview als voor alle interviews samen.

4. Probeer tenslotte verbanden en patronen vast te stellen. Zijn er opvallende combinaties van codes aanwezig? Kun je overeenkomsten of verschillen terugvinden bij personen met verschillende achtergronden? Deze patronen vormen zo de basis voor de rapportage van je onderzoeksresultaten.

Inductief coderen

1. Bekijk per interview het transcript. Vat ieder stukje tekst of uitspraak samen in één of een klein aantal woorden. Stel jezelf daarbij de vraag waar gaat dit stukje tekst over? Is het een mening, een norm, een ervaring? Is het positief of negatief? Enzovoorts.

2. Bekijk vervolgens al die samenvattende woorden en vorm ze tot codes. Zijn er samenvattingen die op elkaar lijken en dus thematisch te verbinden zijn? Die kun je samenbrengen onder een code. Probeer daarbij verder te kijken dan detail, uiteindelijk moet hier een werkbaar aantal categorieën uitkomen die je zinvol kunt interpreteren!
Zo maak je uiteindelijk een gecodeerde samenvatting van ieder interview op zich.

3. Bepaal vervolgens een hiërarchie.  Welke codes komen het meest voor, en welke juist veel minder? Verschillen die zwaartepunten per interview, of komt de verdeling overeen bij verschillende respondenten? Deze hiërarchie bepaal je zowel per interview als voor alle interviews samen.

4. Probeer tenslotte verbanden en patronen vast te stellen. Zijn er opvallende combinaties van codes aanwezig? Kun je overeenkomsten of verschillen terugvinden bij personen met verschillende achtergronden? Deze patronen vormen zo de basis voor de rapportage van je onderzoeksresultaten.